Europese Sijzen

Carduelis spinus spinus

Algemeen:
Van alle Europese Cultuurvogels is de Sijs wel de slimste; de sijs wordt zeer tam en kent zijn verzorger als geen ander. Sijzen uit het noorden trekken voor de winter naar het zuiden. Ze overwinteren in Centraal-Europa of trekken verder naar het Middellandse-Zeegebied. Sijzen uit bergstreken naar lager gelegen gebieden met veel elzen en berken en eten de zaden, die 's winters het hoofdbestanddeel van hun dieet vormen. In maart vliegen ze terug naar het noorden. Al in februari kun je in de zwermen baltsvluchten waarnemen; het mannetje vliegt zingend omhoog en fladdert met gespreide staart in cirkels rond. Zelfs 's winters zijn sijzen dol op baden, waarbij ze soms zo nat worden dat ze niet meer kunnen opvliegen.

Onderscheid:
Bij de man zijn de wangen grijsgroen, de keel geelgroen en de nek grijsgroen. Vanaf de snavel tot de achter-schedel heeft de man een zwarte pet. De geelgroen wenkbrouwstreep begint boven het oog en loopt breder naar achter uit. Onder de snavel bevindt zich een zwarte kinvlek. De borst is groengeel, het onderlijf en de aarsstreek zijn gebroken wit. De flanken zijn geelgroen, vanaf de onderzijde van de vleugeltekening treffen we een fijne maat scherpe zwarte bestreping lopend tot aan de staart. De stuit is goudgroen. Mantel en rugdek zijn grijsgroen, op de mantel/rugdek bevindt zich een fijne lengte-bestreping die een regelmatig verloop heeft. De slagpennen en de grote vleugel-dekveren zijn zwartbruin met een gele omzoming aan de buitenvlag, de kleine vleugeldekveren zijn zwart-bruin. De staartpennen zijn vanaf de basis tot de halve lengte geel , vervolgens overgaand in zwartbruine toppen. De poten zijn donkerebruin tot zwart, de nagels grijs tot zwart. De oogring is donkerbruin, de pupil is zwart.

De pop heeft een donker grijs-groene schedel en wangen, de keel is gebroken wit en de nek grijsgroen. Vanaf de snavel tot in de nek korte zwarte lengtestreepjes. Onder de wangen fijne lengtestreepjes. De bleekgele wenkbrouwstreep vertrekt van boven het oog naar achter breer uitlopend. De borst is gebroken wit, aan de buitenzijde van de borst loopt een fijne zwarte bestreping overgaand in de flank waar deze bestreping zwaarder wordt. Mantel en rugdek zijn donkergrijs-groen, iets bewaasd met fijne zwarte lengtestreepjes, iets grover dan bij de man. De geelgroene stuit is in de lengte zwart bestreept. De vleugelpennen zijn zwart met aan de buitenvlag een smalle geelgroene zoom, kleine en grote vleugeldekvere zwartbruin. Aan weerszijden bevinden zich op de vleugels vlak onder elkaar twee gele vleugelspiegels iets matter van kleur dan bij de man. Ook de saart heeft een spiegel-tekening. Poten donker vleeskleurig tot loodgrijs, nagels donkergrijs. Oogring donker-bruin, pupil zwart.


Voedsel
De beschikbaarheid van voldoende voedsel blijkt, zoals zo vaak oop bij andere vogelsoorten, van invloed te zijn op het aantal aanwezige Sijzen tijdens de trektijd. De sijs is een erg behendig en sociaal vogeltje; de vogels in een zwerm roepen voortdurend naar elkaar, zodat de hele zwerm een onafgebroken zacht gesjirp laat horen. Met de scherp gepunte snavel kunnen ze de zaadjes uit de kegels van elzen peuteren; ze hangen ondersteboven aan het uiteinde van de dunste twijgen en pikken de zaadjes eruit. Later in de winter zijn veel zaadjes, ook van Berk en Larix, naar beneden gevallen, en dan zien wij de Sijzen vaak op de grond naar de zaadjes zoeken.

Verdraagzaamheid
Door zijn verdraagzaamheid tegenover andere soorten is de sijs een geliefde volierevogel. We kunnen sijzen samen houden met een koppel putters, groenlingen, kneuen, fraters, barmsijzen, huismussen, goudvinken, Europese kanaries, alerlei soorten vinken, en vele soorten tropen.

Kweek
Tijdens het broedseizoen zijn de sijzen erg stil; het vrouwtje kiest een hooggelegen nestplaats uit en bouwt het nest, dat ze erg goed camoufleert. De fundering wordt gemaakt van dunne twijgen met een laag wortels, korstmos en droog gras; dit materiaal wordt in elkaar geweven met spinrag en insektecocons. De binnenkant wordt bekleed met plantaardige pluizen, haar en veren. Als de pop op het nest gevoerd wil worden door het mannetje dan produceert zij zachte piepgeluidjes. In april legt het vrouwtje het eerste legsel en in juni of juli het tweede. Haar eieren zijn blauw of groen met roodbruine vlekken of strepen; meestal legt ze 4-6 eieren. Het vrouwtje broedt ze incirca 13 dagen uit, terwijl het mannetje haar voert.Na ongeveer 5 dagen voorzien we onze jongen sijzen van een 2,5mm ring. Voor alle zekerheid voorzien we de ringen van een stukje ventielslang. Beide ouders voeren de jongen 13-15 dagen. Inmiddels is moeder sijs aan haar nieuwe legsel begonnen Al snel beginnen de jongen rond te scharrelen.

Foto's